Spoorloos

Ik zie een weg, zie mensen
op-weg-naar,
ze praten, lachen met elkaar,
ze delen iets.
Ik zie een visser, sigaar rokend
zijn hengel vasthoudend,
geboeid door rimpelingen
en bewegingen in het
peilloze slootwater.

Ik zie de zon stralend
de dag verwennen,
ik zie schapen samen grazen
in een veel te grote wei.

Ik zie Klaas Puul weer een lading
gepelde garnalen brengen,
ik zie een kranige senior,
verbeten voorover gebogen
op zijn sportfiets:
hij heeft een doel.
Ik zie een flitser in zijn stille auto
achter zijn stuur verbleken
van schaamte.

Ik zie een schare scholieren
op weg naar school.
Ik zie en hoor zoveel,
beantwoord vragen,
ik ontmoet zovelen,
geef meningen en verdedig
stellingen en standpunten.

Scharen leraren schieten voorbij,
leerlingen drommen om me heen,
ik hoor mijn naam,
zie mijn lokaal,
ik herken contouren,
enkele gezichten lichten op
om snel weer op te lossen.

Het lijkt mistig,
de kou voelt kil,
ik herken minder en minder.
Mijn gevoel loopt leeg,
als een laatste fles
van de eindejaar aanbieding.

De blik vernauwt.
Loop ik door een tunnel,
’t is zo stil, de wind in ruste,
geen blad roert zich.

Ik sta en wacht,
wacht op -eigenlijk – op niets meer,
of, toch, ik wacht nog één keer.

8 Januari 2013
N.a.v. de zelfdoding van een collega.